Onlangs las ik in een krant een berichtje over starters op de woningmarkt, in het kort samengevat kwam het hier op neer: “Jongeren worden steeds huiveriger om een huis te kopen. Ze zijn onzeker of de woning op termijn wel meer waard zal worden.”
Hoewel ik me best voor kan stellen dat het voor starters onzekere tijden zijn bespeur ik ook een verwachtingspatroon die in vrijwel geen enkele andere branche voorkomt, namelijk dat de investering in een woning in waarde moet stijgen. Bij de aankoop van andere duurzame producten, zoals meubels, keukens, badkamers en auto’s is deze verwachting van waardestijging in het geheel niet aanwezig. Sterker nog bij de aankoop van bv. een auto worden de eerste meters in de nieuwe wagen trots en met een grote glimlach op het gezicht afgelegd, terwijl die eerste meters ontzettend duur zijn. Zodra de auto namelijk gekocht is en een dag later te koop zou worden aangeboden is (vooral bij nieuwe auto’s) waarde veel lager. Gelukkig koop je een auto niet voor een paar dagen, maar dat maakt het probleem niet kleiner. Na enkele jaren is er fors afgeschreven op de auto en bij inruil moet er flink bijbetaald worden voor een volgende auto, waarna de geschiedenis zich herhaald. Het is algemeen geaccepteerd. Zo niet bij een woning, hierin is de algemene acceptatie dat deze in waarde hoort te stijgen. Gelukkig is dat op basis van het verleden op de lange termijn ook vaak het geval. Best gek eigenlijk, met name als je nagaat dat ook een woning door gebruik of veroudering in kwaliteit feitelijk wat minder wordt. Het lijkt mij logisch dat er bij een woning, wat toch een echte eerste levensbehoefte is, en niet alleen maar een investering, rekening gehouden moet worden met een klein beetje afschrijving of aflossing.
Waar komt nu het idee van oneindige waardestijging vandaan? Op basis van mijn ervaring kom ik tot de conclusie dat dit versterkt is door een paar factoren, waarvan ik twee als belangrijkste wil noemen, te weten: ten eerste de hypotheekvorm waarbij geen aflossing plaats vind en de ten tweede de overdrachtsbelasting. Met name de 6% overdrachtsbelasting maakt dat bij de koop van een woning direct 6% “verhuisboete” als extra kostenpost opgeteld moet worden. Om bij verkoop van diezelfde woning quitte te spelen moet de woning later dus in ieder geval al 6% meer opbrengen! Kortom: de prijs zal moeten stijgen, anders ontstaat een restschuld. Dat wordt nog eens versterkt door de hypotheekvormen, waarbij geen daadwerkelijke aflossing plaats vind. Bij spaarhypotheken blijft de schuld op het oorspronkelijke bedrag staan aangezien er naast deze schuld een spaarpot gevormd wordt om over bijvoorbeeld 30 jaar de schuld mee af te lossen. Helaas is het meestal niet mogelijk of aantrekkelijk om die spaarpot tussentijds te gebruiken om een restschuld te voorkomen.
Het is naar mijn mening dan ook een taak van de overheid om de overdrachtsbelasting zo spoedig mogelijk af te schaffen of minstens te halveren en de hypotheekvormen onder de loep te nemen, zodat woningbezitters niet zo snel in de problemen raken als de woning op een ongunstig moment verkocht moet worden. We zien nu teveel mensen die met een restschuld blijven zitten. Als dan ook de mentaliteit van de woningkopers meer omgebogen kan worden naar de mentaliteit van een autokoper, dan is de afhankelijkheid van waardestijging veel minder groot geworden. Het zou voor sommige starters, maar ook voor een groot aantal andere woningbezitters beter zijn als de woning niet puur en alleen als een investering gezien zou worden, maar ook als een levensbehoefte. Je kunt tenslotte niet zonder dak boven je hoofd.